Handleiding rapportagetechniek.



Onderzoek gaat uit van een centrale vraag ofwel probleemstelling.
door: Marleen van der Molen-Willebrands

Analyseer het lezerspubliek.


Inleiding

1 Inleiding rapportagetechniek

2 Oriëntatiefase

2.1 Zorg voor een duidelijk opdracht

2.2 Analyseer het lezerspubliek

2.1 Formuleer een centrale vraag

2.2Begripsomschrijving en deelvragen

3 Planningsfase

3.1 Stel deelvragen op

3.2 Maak een voorlopige inhoudsopgave

3.3 Maak een tijdschema

3.4 Maak een werkplan

4 Uitvoeringsfase

4.1 Voer het onderzoek uit

4.2 Bepaal een heldere structuur

4.3 Zorg voor duidelijke titels

4.4 Schrijf in hoog tempo de eerste versie

5 Revisiefase

5.1 Reviseer de eerste versie

5.2 Controleer de stijl

5.3 Werk het rapport professioneel af

6 Eisen aan rapportonderdelen

6.1 Inleiding

6.2 Omslag en titelpagina

6.3 Het voorwoord

6.4 Samenvatting

6.5 De inhoudsopgave

6.6 De inleiding

6.7 De hoofdstukken tussen inleiding en conclusie

6.8 De conclusies

6.9 De aanbevelingen

6.10 Het nawoord

6.11 De literatuurlijst

Literatuur

Bijlage 1: Vaste structuren

Bijlage 2: Checklist voor rapportonderdelen

Bijlage 3: Checklist criteria voor opbouw, stijl en vormgeving

1 Inleiding rapportagetechniek

Het verslag dat je moet schrijven voor methodeanalyse is een vorm van rapportage. Het rapport is een benaming voor uiteenlopende tekstsoorten, zoals beleidsnotities, onderzoeksrapporten, adviesrapporten, enzovoort. De conventies voor dergelijke rapporten worden in de meeste onderwijsinstellingen ook gehanteerd voor verslagen en afstudeerscripties. Wij zullen in deze handleiding dan ook kortheidshalve meestal het woord `rapport’ gebruiken voor het verslag dat jullie gaan schrijven. De richtlijnen die wij geven zijn in de eerste plaats bedoeld voor het verslag methodeanalyse, maar ze zijn ook bruikbaar voor andere verslagen die je later in je studie moet schrijven, met als laatste rapport de afstudeerscriptie.

In deze handleiding wordt een procedure aangereikt voor het schrijven van een rapport.

Door planmatig te werken kan het schrijven sneller verlopen en zullen de resultaten beter overeenstemmen met de wensen van de lezers. De methodiek die hierbij wordt toegepast is het schrijven in fasen. Uit onderzoekingen is gebleken dat bij goede schrijvers het schrijfproces uit een aantal deelprocessen of fasen bestaat: oriënteren - plannen - uitvoeren - reviseren, waarbij vooral plannen en reviseren de goede schrijvers onderscheiden van de slechte. Deze deelprocessen worden niet één voor één doorlopen, maar ze wisselen elkaar af, zodanig dat de schrijver stukje bij beetje dichter bij het einddoel komt.

We zullen eerst ingaan op de oriëntatiefase, het bepalen van probleemstelling, doel, doelgroep en randvoorwaarden, wat in dit geval inhoudt dat de opdracht heel grondig verkend en in kaart gebracht wordt en het onderwerp ingeperkt wordt met de centrale vraag..

In de planningsfase van het te schrijven rapport zullen wij vervolgens eerst laten zien hoe je deelvragen formuleert om de noodzakelijke inhoud op te sporen. Dat resulteert in een voorlopige inhoudsopgave, waarna de taken binnen de werkgroep worden verdeeld en een tijdschema wordt opgesteld..

De voorbereiding op de te schrijven tekst is hiermee afgesloten, zodat je in de uitvoeringsfase in staat bent om eerst heel gericht op zoek te gaan naar de benodigde informatie. Als ook dit gebeurd is, kun je daarna alle aandacht wijden aan de vraag hoe je deze informatie op een logische en overzichtelijke manier in paragrafen ordent aan de hand van je inhoudsopgave, en hoe je deze paragrafen op hun beurt in heldere alinea's onderverdeelt. Dan schrijf je in hoog tempo de eerste versie van je rapport.

In de laatste fase, de revisiefase, wordt de eerste versie van de tekst kritisch bekeken op alle aspecten van opbouw, inhoud en formulering aan de hand van een checklist met controlevragen.

Het schrijfproces is in de volgende vier stappen onder te verdelen:

1 Oriëntatiefase:

zorg voor een duidelijke opdracht;

analyseer je lezers;

formuleer een centrale vraag

2 Planningsfase:

maak een vragenschema;

maak een voorlopige inhoudsopgave;

maak een tijdschema;

maak een werkplan.

3 Uitvoeringsfase:

voer het onderzoek uit;

bepaal een heldere structuur;

zorg voor duidelijke titels;

schrijf in hoog tempo de eerste versie.

4 Revisiefase:

reviseer de eerste versie;

controleer de stijl;

werk de tekst professioneel af.

Je hoeft overigens niet altijd de ene stap helemaal afgerond te hebben voor je aan de volgende begint. Tijdens het schrijven kun je ontdekken dat je de hoofdvraag niet helemaal juist hebt geformuleerd of dat de inhoudsopgave bijgesteld moet worden. Schrijven is daarom een proces dat cyclisch verloopt.

In de volgende vier hoofdstukken bespreken wij achtereenvolgens de vier genoemde fasen: oriënteren, plannen, uitvoeren en reviseren. In het laatste hoofdstuk staan de eisen geformuleerd die aan de verschillende onderdelen van het rapport worden gesteld.

2 Oriëntatiefase

Een planmatige aanpak houdt in dat je je eerst een duidelijk beeld vormt van de opdracht die je hebt gekregen. Vervolgens analyseer je wat voor behoeften de lezers hebben en op basis daarvan formuleer je een precieze hoofdvraag.

2.1 Zorg voor een duidelijk opdracht

Voor het schrijven van het verslag methodeanalyse is de opdracht duidelijk gegeven: analyse van een onderdeel taalvaardigheid uit een methode. Het is ook duidelijk welke aanpak gevolgd moet worden aan welke eisen het verslag moet voldoen. Dit is het eerste verslag dat ook moet voldoen aan conventies van een rapport. Voor andere verslagen in je studie zul je de opdracht soms zelf moeten kiezen, denk maar aan de afstudeerscriptie. Opdrachten kunnen nogal eens vaag en ruim zijn. De kans bestaat dan dat je verslag niet aan de verwachtingen beantwoordt. Zorg ervoor dat je met de opdrachtgever en/of begeleidende docent overlegt voor je aan de slag gaat en dat je zijn wensen kent ten aanzien van de tekst. Het is handig om de opdracht te vertalen in precieze vragen. Ga in dit stadium ook na welke randvoorwaarden gelden (onderwijsdoel van de opdracht, voorschriften, beschikbare studietijd, tekstomvang, budget). Dat voorkomt teleurstellingen achteraf.

2.2 Analyseer het lezerspubliek

Houd in een vroeg stadium al rekening met de lezers waarvoor het rapport bestemd is. Behalve de opdrachtgever heb je vrijwel altijd ook met anderen te maken, zoals je docent of begeleider, en wellicht toekomstige gebruikers van een product, bijvoorbeeld een leertekst als afstudeeropdracht. Stel jezelf onder meer de volgende vragen

- Met welk doel lezen ze de tekst?

- Op welke vragen zoeken zij antwoord?

- Hoe lezen ze de tekst: globaal en/of selectief?

Bij een scriptie zijn meestal nog andere mensen betrokken dan de begeleidende docent: besluitvormers in onderwijs en docenten uit het werkveld. Hun aandacht zal in de eerste plaats uitgaan naar de samenvatting, conclusies en aanbevelingen. Specialisten willen echter meer achtergrondinformatie. Passages met analyses en didactische verantwoording bestuderen zij intensiever. Hoe heb je de realisatie van het product theoretisch onderbouwd?

Je docent of begeleider wil weten of je goed verslag doet van de probleemanalyse, literatuuronderzoek en veldwerk (interviews en enquêtes), de keuze en realisatie van het product, kwaliteitseisen, en verder de theoretische onderbouwing van de aanpak bij de productontwikkeling.

Je zult dus `meerdere heren’ moeten dienen. Zorg in de hoofdtekst voor duidelijke verwijzingen naar bijlagen met details. Stem je samenvatting, inleiding, conclusies en aanbevelingen af op de vraag van de opdrachtgever. Geef in conclusies, aanbeveling en samenvatting concrete informatie voor de mate waarin je oplossing (het product) aan de beslissingscriteria voldoet: kwaliteitseisen, effectiviteit, kosten, mogelijke besparingen, implementatietijd, wettelijke randvoorwaarden enzovoort.

Voor het verslag methodeanalyse hoef je nog geen rekening te houden met diverse lezers. Alleen de docent zal je tekst grondig lezen, hoewel medestudenten en docenten uit het veld wellicht ook geïnteresseerd zijn in jouw analyse!

2.1 Formuleer een centrale vraag

Onderzoek gaat uit van een centrale vraag ofwel probleemstelling. Een probleemstelling van een tekst is de centrale vraag waarop de tekst antwoord geeft. Voor het succesvol verlopen van het onderzoek is het noodzakelijk die probleemstelling zo precies mogelijk te formuleren. Een goed geformuleerde probleemstelling geeft richting aan het onderzoek dat moet worden uitgevoerd. Door de centrale vraag te splitsen in deelvragen wordt het mogelijk al in een vroeg stadium een gedetailleerde rapportopzet te ontwerpen. Aan de hand van zo’n uitgewerkte opzet wordt duidelijker wat er precies moet worden onderzocht om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden.

De centrale vraag moet zo geformuleerd zijn dat duidelijk is wat het globale doel van de tekst is. We onderscheiden drie doelen:

1 een advies geven;

2 informatie geven;

3 een oordeel aannemelijk maken.

We kunnen drie soorten probleemstellingen of centrale vragen onderscheiden die met deze doelen corresponderen:

1 adviesgerichte probleemstellingen - advies;

2 beschrijvende (of beeldvormende) probleemstellingen - informatie (feiten, cijfers);

3 evaluerende probleemstellingen – oordeel.

a. De adviesgerichte probleemstelling

Bij de adviesgerichte probleemstelling wordt antwoord gegeven op de vraag wat er in de toekomst moet gebeuren of wat er moet/kan veranderen. De hoofdvraag bij dit soort onderzoek komt dus neer op. Wat kan/moet er verbeterd of veranderd worden?

Bijvoorbeeld:

- Welke kennis en vaardigheden dienen leraren te hebben om adequaat schrijfonderwijs te kunnen geven?

Bij dit type probleemstelling kunnen je ook denken aan maatregelen die genomen moeten worden om een probleem op te lossen.

b. De beschrijvende (beeldvormende) probleemstelling

De beschrijvende probleemstelling bevat de vraag naar het al dan niet voorkomen van een situatie of ontwikkeling.

Bijvoorbeeld:

- Welke deelvaardigheden worden achtereenvolgens geoefend en welke totaalvaardigheden zijn aan de orde in taalmethode X?

Ook kan de beschrijvende probleemstelling antwoord uitlokken op de vraag hoe de stand van zaken is met betrekking tot een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld:

- Hoe leren brugklasleerlingen een brief schrijven?

of hoe een verschijnsel zich heeft ontwikkeld, bijvoorbeeld:

- Hoe heeft het schrijfonderwijs in de basisvorming zich ontwikkeld sinds 1992?.

c. De evaluerende probleemstelling

Nadat er door beschrijvend onderzoek informatie verzameld is, wordt de vraag van belang welke waarde men aan die informatie kan hechten. Bij de evaluerende probleemstelling staat de toetsing van de juistheid van beweringen over een verschijnsel centraal. Bij evaluatief onderzoek komt de hoofdvraag dus neer op:

Wat is mijn oordeel over dit onderwerp?

Bijvoorbeeld:

- In hoeverre voldoet de aanpak van de schrijftaak in methode X aan de principes van communicatief taalonderwijs?.

Bij evaluatief onderzoek zie je vaak een vergelijking van verschillende mogelijkheden. Daarbij wordt vaak gebruikt gemaakt van de vergelijkende of overtreffende trap. Bijvoorbeeld:

Welke aanpak van schrijfonderwijs is het meest effectief in de brugklas?

Verder worden in evaluatieve probleemstellingen heel vaak begrippen gebruikt die typisch waarderend zijn. Denk aan begrippen als: `positief’, `negatief’, `gunstig’, `effectief’, `haalbaar’, `voldoende’, `aantrekkelijk’. De precieze betekenis ervan staat niet bij voorbaat vast, maar hangt af van de criteria die de schrijver aanhangt.

Combinatie van probleemstellingen

Vaak wordt er een combinatie gemaakt van verschillende typen probleemstellingen.

Zo kun je bijvoorbeeld een beschrijvende probleemstelling combineren met een evalerende probleemstelling. Met andere worden: eerst vraag je naar de beschrijving van een bepaald verschijnsel en vervolgens vraag je naar een oordeel over de situatie. Een voorbeeld:

- Welke schrijfaanpak wordt gehanteerd in methode X en in hoeverre voldoet deze aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs?

Voor je verslag van methodeanalyse geldt dat de beschrijvende en evaluerende de beste mogelijkheden bieden.

De hoofdvraag moet aan de volgende eisen voldoen.

- De centrale vraag moet niet te ruim of te beperkt zijn geformuleerd.

Niet: Welke problemen doen zich voor bij gezondheidsvoorlichting?’

Maar: Welke problemen doen zich voor bij voorlichting over de ziekte aids bij jongeren in Nederland?

De centrale vraag moet een open vraag zijn: een ja/nee-vraag geeft geen opbouw aan voor een heel stuk en bovendien kan een ja/nee-vraag de tekst eenzijdig laten worden.

2.2 Begripsomschrijving en deelvragen

Na formulering van de hoofdvraag moet deze nader worden geoperationaliseerd. Zo’n operationalisatie is tweeledig:

omschrijving van de begrippen die in de hoofdvraag worden gehanteerd;

verdere uitwerking van de hoofdvraag in relevante deelvragen.

We kijken naar het voorbeeld van een beschrijvende en evaluerende probleemstelling:

- Welke aanpak van de schrijftaak wordt gehanteerd in methode X en in hoeverre voldoet deze aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs?

Allereerst moeten moeilijke begrippen uit de probleemstelling nader worden omschreven ofwel geoperationaliseerd. In het gegeven voorbeeld zijn dat de volgende begrippen.

- communicatief taalonderwijs’: onderwijs waarin leerlingen taal leren gebruiken met verschillende functies in verschillende communicatieve situaties, waarbij ze reflecteren op taalgebruik, ter verbetering van hun taalvaardigheid;

- uitgangspunten van communicatief taalonderwijs’:

a indeling leerstof in basisvaardigheden en deelvaardigheden en totaalvaardigheden;

b transfermogelijkheden van leerstof;

c ordening van leerstof naar toenemende complexiteit.

3 Planningsfase

Als de hoofdvraag duidelijk is, kun je een werkplan gaan opstellen. Daartoe breid je eerst de hoofdvraag uit met deelvragen. Dit vragenschema vertaal je vervolgens in een voorlopige inhoudsopgave. Gecombineerd met een tijdschema heb je dan een werkplan van de projectgroep, dat desgewenst uitgewerkt kan worden tot een voorstel voor de opdrachtgever. De volgorde wordt dan als volgt:

vragenschema - voorlopige - inhoudsopgave - tijdschema - werkplan.

3.1 Stel deelvragen op

Uitgangspunt voor het vragenschema is de hoofdvraag die je al hebt geformuleerd: de belangrijkste vraag waar de tekst een antwoord op geeft. Van deze vraag moeten deelvragen worden afgeleid: vragen waarop de lezer een antwoord moet hebben om te begrijpen hoe de schrijver de hoofdvraag heeft beantwoord. Onze probleemstelling luidde als volgt:

- Welke aanpak van de schrijftaak wordt gehanteerd in methode X en in hoeverre voldoet deze aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs?

Daaruit zijn de volgende deelvragen af te leiden:

1 Waaruit bestaat de structuur van methode X?

2 Uit welke onderdelen is de leerstof schrijven opgebouwd?

3 Waaruit bestaat de aanpak van de schrijftaak?

3 Welke deelvaardigheden worden achtereenvolgens geoefend en welke totaalvaardigheden zijn aan de orde?

5 Welke kerndoelen van de betreffende vaardigheden zijn aan de orde?

6 In hoeverre is er sprake van een procesmatige, stapsgewijze aanpak?

7 In hoeverre is er sprake van een toenemende complexiteit van de leerstof?

8 In hoeverre en op welke wijze wordt met deze aanpak de zelfwerkzaamheid bevorderd?

Voor het schrijven van een scriptie kan het handig zijn eerst te gaan brainstormen en daarna de relevante vragen te selecteren en ordenen. Daarbij kun je gebruik maken van zogenaamde vaste structuren (Steehouder 1992), die je in bijlage 1 kunt vinden.

3.2 Maak een voorlopige inhoudsopgave

Je hebt nu grofweg de inhoudselementen van je rapport bepaald. Bepaal in dit vroege stadium alvast hoe de structuur er uit gaat zien, zodat de inhoud toegankelijk gepresenteerd wordt aan je lezerspubliek. Dat kan door je vragenschema om te zetten in een (voorlopige) inhoudsopgave. In een latere fase van het schrijfproces zul je die waarschijnlijk nog wel bij moeten stellen. In deze fase gaat het er om wat je aan de orde stelt in de kern van je rapport en in welke volgorde. Geef zo gedetailleerd mogelijk alle hoofdstukken en (sub)paragrafen aan met informatieve titels. In trefwoorden of vragen kun je aangeven wat je aan de orde gaat stellen.

Zo’n voorlopige inhoudsopgave is niet alleen handig om de beginstructuur van je rapport vorm te geven. Het biedt ook hulp bij het zoeken, selecteren en ordenen van materiaal. Verder vergemakkelijkt een inhoudsopgave het overleg met de opdrachtgever/docent. Deze is bruikbaar om de opdrachtgever/docent om een vrij concreet beeld te geven van wat je in de tekst wilt gaan opnemen: die kan je dan tijdig bijsturen, zodat je achteraf niet hele paragrafen voor niets hebt geschreven. Voor jezelf biedt een inhoudsopgave een goed uitgangspunt voor een effectieve planning en taakverdeling binnen de werkgroep. Verdeel op basis van de inhoudsopgave de werkzaamheden, en gebruik de inhoudsopgave om de ingeleverde stukken te bespreken.

3.3 Maak een tijdschema

Is de opdracht eenmaal vertaald in een inhoudsopgave, dan is het opstellen van een tijdschema de volgende stap. In zo’n schema geef je aan wanneer bepaalde taken door wie uitgevoerd moeten zijn. Behalve vaste data, zoals de datum waarop de definitieve versie van het verslag klaar moet zijn, kun je ook voor jezelf vastleggen wanneer de conceptversies klaar moeten zijn.

3.4 Maak een werkplan

Een werkplan is een beknopt rapport waarin de beslissingen worden vastgelegd die richting geven aan het verdere werk. Hiermee kun je duidelijk maken of je op de goede weg bent naar het eindresultaat, gelet op doelstellingen en de randvoorwaarden van tijd en mankracht.

Jullie werkplan bevat de volgende onderdelen:

- het doel van het rapport, met een omschrijving van het belang ervan (bij een scriptie);

- de randvoorwaarden, uitgangspunten en tijdplanning (welke informatie is beschikbaar/moet verwerkt worden, de fasering van het onderzoek/de productontwikkeling en schrijfwerk, de deadline voor het eindrapport);

- een voorlopige inhoudsopgave.

4 Uitvoeringsfase

Ook goede schrijvers krijgen zelden direct een goede tekst op papier. Het is verstandiger een onvolmaakte tekst te herzien dan ernaar te streven in één keer een perfecte tekst uit je vingers te krijgen. Dat ontaardt vaak in staren naar een leeg beeldscherm of het zogenaamde writer’s block. Schrijven kan het beste in rondes plaatsvinden. Na de fase van informatieverzameling en –verwerking ligt het accent eerst op het snel in ruwe vorm onder woorden brengen van de inhoud. Daarna komt de nadruk steeds meer te liggen op (beknopte) formulering en afwerking.

4.1 Voer het onderzoek uit

Uitgaande van je voorlopige inhoudsopgave en je tijdschema ga je nu gericht informatie verzamelen. Antwoorden op vragen uit je vragenschema zul je krijgen door de methode nauwkeurig te bestuderen en te relateren aan de vakdidactische theorie. Noteer de antwoorden kernachtig in je vragenschema.

Denk eraan dat je van iedere leesactiviteit het resultaat vastlegt in de vorm van aantekeningen en samenvattingen. Let er ook op dat je bij letterlijke citaten de bronnen noteert waarop je je baseert.

Het kan handig zijn om losse ideeën die bij je opkomen in een apart bestand op te slaan. Ideeën waarmee je in de in eerset instantie niets mee kunt beginnen, maar die later van pas kunnen komen.

4.2 Bepaal een heldere structuur

Vanuit de probleemstelling, de deelvragen en de inventarisatie van gegevens, bedenk je hoe je de gegevens gaat ordenen. Hoe wordt samenhang tussen de hoofdstukken bereikt? Uitgangspunt is je voorlopige inhoudsopgave die je op basis van het eerste vragenschema hebt opgesteld. Deze ga je nu verder detailleren op basis van de verkregen informatie. Nieuwe informatie kan weer nieuwe vragen oproepen. Je stelt vast welke informatie samenhangt en dus bij elkaar moet komen staan. Dan bepaal je hoe de volgorde logisch wordt, zodat iemand die zelf geen onderzoek naar je onderwerp heeft gedaan het toch goed kan volgen. Aan de hand van deze ordening vul je je inhoudsopgave verder in.

4.3 Zorg voor duidelijke titels

Niet alleen een logische indeling bepaalt een heldere structuur, maar ook de manier waarop de tekst is onderverdeeld in grote en kleine eenheden. Bij een rapport gaat het in de eerste plaats om hoofdstukken en (sub)paragrafen. Daarnaast speelt de alineaindeling een rol. Een heldere onderverdeling in hoofdstukken en paragrafen geeft de lezer de mogelijkheid tevoren te overzien wat er in de tekst aan de orde komt en wat de grote lijn in het geheel is. Hij kan bovendien één of meer voor hem interessante delen selecteren, zonder gedwongen te worden alles te lezen. Een goede betiteling van hoofdstukken en (sub)paragrafen fungeert daarbij als richtingaanwijzer.

4.4 Schrijf in hoog tempo de eerste versie

De bijgestelde inhoudsopgave vorm het raamwerk waarbinnen je de tekst gaat schrijven. Dat hoeft natuurlijk niet in de aangegeven volgorde: moeilijke hoofdstukken kun je even overslaan. Zet de inhoud in hoofdlijnen nu op papier. Hanteer daarbij de doorschrijfstrategie. Dat wil zeggen: de vingers op de toetsen en schrijven zonder te stoppen.

Denk eraan dat het gaat om een tekstconcept, de eerste ruwe versie van je rapport. Schrijf met vaart en bekommer je niet om spelling en stijl. Reken af met het idee dat de tekst in één keer tot stand moet komen. Anders kan makkelijk het zogenaamde writer's block optreden: je krijgt geen letter meer op papier. Let verder niet teveel op de kritische lezer. Zorg juist dat de lezer tijdelijk uit beeld verdwijnt. De tekst is namelijk nog van jou; pas na afronding presenteer je hem aan de lezer. Bedenk dat je na deze doorschrijfronde nog genoeg tijd krijgt om het concept compleet te maken en een redactieronde uit te voeren. Het gaat er nu om de inhoud in hoofdlijnen op papier te zetten. Bekommer je vooral om de kern van je tekst.

Gebruik de `on-line’functie van je tekstverwerker (Word, linksonder op balk of kies Beeld en dan online-lezen). Daarmee kun je de tekst tussen (sub)paragraaftitels tijdelijk onzichtbaar maken. Dat betekent dat je in het opmaakprofiel de koppen moet definiëren. Met deze functie van Word krijg je een veel beter inzicht in de grote lijn van de tekst die je aan het schrijven bent. Ook kun je hiermee gemakkelijk paragrafen met de bijbehorende tekst verplaatsen.

Sla ingewikkelde stukken of onderdelen waar je nog onvoldoende tijd voor hebt even over. In de tijd dat je werkt aan eenvoudiger delen van het rapport kun je je gedachten laten gaan over de stukken die nog geschreven moeten worden. De `gaten’ die in de tekst ontstaan kun je markeren met een sterretje(*). Je kunt de computer naar sterretjes laten zoeken en zo vind je snel de passages die nog verder uitgewerkt moeten worden.

Mocht je dreigen vast te lopen, overleg dan met een kennis of zet in het tweede scherm van je document wat aantekeningen: steekwoorden, verbanden, vragen. Voorkom het staren in het lege niets.

Formuleer verder aan het begin van iedere paragraaf wat de conclusie zal zijn, welke onderwerpen aan bod zullen komen. Dit geeft jezelf richting aan het schrijf- en leeswerk voor een tekstdeel.

Als je hiermee klaar bent, dan kun je de tekst voor tussentijdse feedback voorleggen aan een medestudent uit de groep of aan de docent. Of vraag, bij een scriptie met name, meelezers uit het beoogde lezerspubliek om commentaar. Ze wijzen je vaak op blinde vlekken, te grote gedachtesprongen, inconsequenties en onduidelijkheden.

5 Revisiefase

5.1 Reviseer de eerste versie

Nu de inhoud in ruwe vorm is vastgelegd, ken je de tekst herschrijven. Dit gaat vaak beter als je de tekst een paar dagen weglegt, zodat je er voldoende afstand van kunt nemen. Zorg ervoor dat je altijd weet wat de laatste versie van je tekst is, door een goede naamgeving en plaatsing van de datum in de tekst.

Bij het herschrijven kun je de volgende controlevragen als richtlijn gebruiken.

- Is de grote lijn duidelijk?

Lees inleiding en de conclusie direct na elkaar om te zien of de vraag in de inleiding wel echt wordt beantwoord in de conclusie. Lees hoofdstukken en paragrafen globaal, door alleen de beginzinnen van alinea’s te lezen: controleer of een globale lezer zo een goed beeld krijgt van je gedachtengang. Kijk kritisch naar duidelijk geformuleerde kernzinnen. Verderop geven we nog een aantal structuuradviezen.

- Is de tekst voor je lezers begrijpelijk geformuleerd?

Vraag je bij elke vakterm af of deze bekend is voor al je lezers. Bekijk verder globaal of er niet te veel lange zinnen (30 à 40 woorden) voorkomen en of langere zinnen voldoende worden afgewisseld door korte (5 à 10 woorden).

- Is de toonzetting passend voor de lezers?

Vraag je af of de formulering het juiste midden houdt tussen aarzelend en dwingend. Wie bijvoorbeeld als aankomend docent bij een onderwijsinstelling een plan voor een beter taalbeleid introduceert, kan zich zelden een dwingende toon permitteren. Ook kan het in zo’n geval verstandig zijn het probleem wat voorzichtiger te formuleren: de lezers van het rapport zijn wellicht verantwoordelijk voor de huidige werkwijze.

- Is de informatie overzichtelijk gepresenteerd?

Een rapport wordt toegankelijker en aantrekkelijker om te lezen als je de informatie visualiseert. Geef onderzoeksresultaten waar mogelijk weer in tabellen en figuren en gebruik regelmatig opsommingen om tekstblokken te doorbreken. Scheid verder zijlijnen van de hoofdlijn door het gebruik van noten en/of kaderteksten. Vooral kaderteksten zijn een middel om een hoofdstuk `slank’ te houden: een hoofdstuk lijkt dan minder lang. Een kadertekst breekt de pagina en is een illustratie in woorden. Ze bieden de lezer meerdere ingangen tot het hoofdstuk.

- Zijn alle onderdelen van voor-en nawerk al geschreven?

Als de inhoud definitief op papier staat, kunnen onderdelen als samenvatting en literatuurlijst hun definitieve vorm krijgen.

- Is optimaal van bijlagen gebruik gemaakt?

Neem informatie die niet voor alle lezers relevant is, en die niet strikt noodzakelijk is om de lijn van het rapport te volgen, op in bijlagen. Een letterlijk overzicht van kerndoelen van het schrijfonderwijs leent zich goed voor een bijlage; essentiële informatie kan in het verslag zelf worden samengevat of geparafraseerd.

5.2 Controleer de stijl

In dit stadium ga je je bezighouden met details van formulering. Voor een leesbare tekst is het van belang dat je helder en beknopt formuleert. Meer adviezen zijn te vinden in Hermans (2000) en Renkema (1989). Gebruik ter controle de checklist in bijlage 3.

5.3 Werk het rapport professioneel af

De `verpakking’ van het rapport bepaalt mede of je tekst welwillend wordt bekeken. Enkele tips:

Besteed aparte aandacht aan de vormgeving: voldoende wit op een pagina, consequente vormgeving van hoofdstuk- en paragraaftitels, geen losse kopjes onderaan een pagina, af en toe cursivering voor het leggen van accenten.

Gebruik de spellingcontrole van Word. Zo vermijd je veel spel- en typfouten, al blijven fouten in de werkwoordsspelling veelal onopgemerkt.

Controleer of je geen illustraties, figuren en bijlagen vergeten bent, en of ze voorzien zijn van een nummer en een duidelijke titel of bijschrift. Gebruik ter controle de checklist in bijlage 2.

6 Eisen aan rapportonderdelen

6.1 Inleiding

De lezers van jullie verslag hebben niet alleen verwachtingen over de inhoud ervan, maar ook over de vorm. Jullie onderzoek zal gepresenteerd worden in de vorm van een rapport. Hierna geven wij een kort overzicht van de onderdelen waaruit jullie verslag kan bestaan.

Rapportonderdelen

Globaal bestaat elk rapport uit drie delen: voorwerk, kern en nawerk. De kern wordt gevormd door genummerde hoofdstukken (van de inleiding tot en met de conclusies en aanbevelingen). Onderdelen die vóór de kern zijn opgenomen vallen onder het voorwerk. Wat na de kern komt, wordt het nawerk genoemd.

Een uitvoerig rapport, zoals de afstudeerscriptie van het afstudeerproject, kan uit de volgende onderdelen bestaan:

Voorwerk:

omslag

titelpagina

voorwoord

samenvatting

inhoudsopgave

Kern:

inleiding

paragrafen

conclusies

aanbevelingen

Nawerk:

nawoord

literatuurlijst

bijlagen

6.2 Omslag en titelpagina

Zorg dat de omslag van je beleidsvoorstel er professioneel uitziet. Hij moet er fraai uitzien en desgewenst voorzien zijn van een (functionele) illustratie. Gebruik een omslag van steviger papier dan de rest van het rapport. Vermeld op de omslag de rapporttitel en de namen van de auteurs. De titel kan opvallend zijn; de ondertitel moet dan wel een goed inzicht geven in het onderwerp van het rapport. Deze zakelijke titel moet goed de lading van het gehele rapport dekken, dus informatief zijn. Bijvoorbeeld:

De titelpagina is de eerste (ongenummerde) pagina van je rapport. Vermeld op de titelpagina:

- titel en eventuele ondertitel;

- voorletter(s), naam van de schrijvers;

- opdrachtgever/docent;

- kader (voor het verslag methodeanalyse: vakdidactiek en taalbeheersing Fontys Lerarenopleiding Sittard);

- plaats, datum en jaar. Zet de titel in grote letters op een prominente plaats en vermeld de overige gegevens in het onderste kwart van de pagina.

6.3 Het voorwoord

In een voorwoord (maximaal 1 A4) kun je informatie opnemen die niet tot het eigenlijke onderwerp van het rapport behoort. Het heeft een persoonlijk tintje. Nummer de pagina van het voorwoord met `II’ of met `ii

De volgende onderdelen kunnen aan bod komen:

- het kader waarin het rapport is geschreven;

- omschrijving van de opdracht;

- persoonlijke omstandigheden of ervaringen die tot het schrijven van het rapport hebben geleid;

- verband met andere verschenen of nog te verschijnen rapporten;

- problemen die de totstandkoming van het rapport hebben vertraagd of bemoeilijkt;

- gegevens over de taakverdeling binnen de groep;

- indien nodig een aanwijzing voor het gebruik van het rapport (leeswijzer);

- dankbetuigingen aan mensen die hebben bijgedragen aan het rapport (bijvoorbeeld geïnterviewden);

- als afsluiting: plaatsaanduiding, datum en naam van de auteurs.

6.4 Samenvatting

Een samenvatting (maximaal 1 A4) mag niet ontbreken in rapporten van zo’n vijf pagina’s of meer. In een scriptie is een samenvatting een vereiste. Schrijf een informatieve samenvatting waarin je de hoofdzaken van het rapport bondig weergeeft: probleemstelling, methode, conclusie en aanbevelingen. Voor veel lezers is de samenvatting een eerste oriëntatiemiddel: als ze de hoofdlijn kennen, kunnen ze beter beoordelen welke informatie voor hen relevant is. Je geeft inhoudelijk informatie over:

- Wat is het onderwerp? (probleemschets, hoofdvraag, belang van de hoofdvraag)

- Wat is er gedaan? (methode, werkwijze)

- Wat is er gevonden? (resultaten)

- Wat betekenen de bevindingen? (conclusies, aanbevelingen)

Let erop dat de samenvatting een zelfstandig leesbaar geheel is. Ook moeten verwijzingen naar onderdelen van de tekst achterwege blijven. Voeg verder geen nieuwe informatie toe; alle informatie uit de samenvatting moet uitgewerkt in de tekst terug te vinden zijn. Je kunt de samenvatting een afwijkende kleur papier geven, zodat hij eruit `springt’. Je nummert de pagina zoals die van het voorwoord: `III’ of `iii’.

6.5 De inhoudsopgave

Met de inhoudsopgave geef je de lezer een eerste indruk van de inhoud en de structuur van het rapport. Houd je bij het opstellen van de inhoudsopgave aan de volgende richtlijnen:

- Nummer onderdelen van voorwerk en nawerk niet. Geef ze dus geen indelingsteken.

- Start de paginanummering in Arabische cijfers bij de inleiding, maar begin in je hoofd te rekenen bij de titelpagina. Het voorwoord wordt op de inhoudsopgave vaak met Romeinse cijfers genummerd als `II’ (bij een enkelzijdig gekopieerd rapport). De inleiding begint dan op pagina 4, want de inhoudsopgave staat op de niet-genummerde pagina 3. De inleiding is dan het eerste hoofdstuk van de kern van je rapport. Indien je een samenvatting toevoegt, dan volgt deze op het voorwoord en start de inleiding op pagina 5.

Neem geen verwijzing op naar de `titelpagina', en `inhoudsopgave’. Neem alleen hoofdstukken en (sub)paragrafen op en geen ongenummerde tussenkopjes.

Zorg voor een decimale nummering van de kern in Arabische cijfers.

- Gebruik in de inhoudsopgave geen aanduidingen als `Hoofdstuk’, `Paragraaf’ of `§’.

- Formuleer informatieve kernachtige titels die bestaan uit zelfstandig naamwoorden (eventueel aangevuld met bepalingen) of uit vragende zinnen. Zorg er daarbij wel voor dat parallel georganiseerde onderdelen een parallelle formulering krijgen: de hoofdtitels zijn dan of allemaal zelfstandig naamwoorden (eventueel naamwoordsgroepen) of allemaal vragende zinnen; voor de subtitels bij één hoofdtitels geldt hetzelfde. Dit maakt het de lezer gemakkelijker de structuur van het rapport te doorzien. Een nadeel van vragende zinnen is dat die meestal aan de lange kant zijn. In paragraaf 4.3 vind je meer richtlijnen voor het formuleren van titels.

- Geef bijlagen een informatieve titel. Is er meer dan één bijlage, dan moeten de afzonderlijke bijlagen ook genummerd worden

- Zorg voor een overzichtelijke vormgeving, waardoor het onderscheid tussen voorwerk, kern en nawerk direct zichtbaar is. Ook moet uit de vormgeving de structuur binnen een hoofdstuk blijken: spring in bij paragrafen en subparagrafen. Een witregel voor en na elk hoofdstuk maakt de inhoudsopgave vaak iets overzichtelijker. Met Word is de vormgeving van de inhoudsopgave makkelijk in te stellen.

- Zorg altijd voor minstens twee onderdelen bij paragrafen. Een opeenvolging van hoofdstuk 3, paragraaf 3.1 en daarna hoofdstuk 4 is onmogelijk. Op paragraaf 3.1 moet paragraaf 3.2 volgen. Helemaal geen paragrafen bij een hoofdstuk is slechts denkbaar bij de inleiding en het hoofdstuk met conclusies en aanbevelingen.

- Vermeld nooit `Inhoudsopgave’ zelf in de inhoudsopgave; overigens wordt meestal de aanduiding `Inhoud’ als kop gebruikt boven de inhoudsopgave.

6.6 De inleiding

De inleiding, als eerste hoofdstuk, vormt de toegang tot het rapport. De lezer ziet welke vraag wordt beantwoord, waarom en hoe dat gebeurt. Een goede inleiding bereidt de lezer voor op de inhoud van het rapport.

Het is overigens verstandig de inleiding pas het laatste te schrijven, wanneer de rest al op papier staat. Dan is het ook makkelijker om afstand te nemen van je werkzaamheden en de resultaten ervan.

Inhoud van de inleiding

Veel inleidingen zijn onbegrijpelijk: ze beginnen te abrupt, missen essentiële voorinformatie, bevatten gedachtesprongen. Dat komt doordat onderzoekers na maanden ploeteren het moeilijk vinden om terug naar `af’ te gaan. Neem de beginsituatie als uitgangspunt bij het bepalen van de inhoud van de inleiding. Wat had je ook alweer nodig voor je aan je onderzoek kon beginnen? Natuurlijk een probleemstelling en een doelstelling. Maar daarmee kon je pas uit de voeten, als je over voldoende achtergrondinformatie beschikte, je onderzoeksgebied nauwkeurig had afgebakend en je werkzaamheden had georganiseerd door de probleemstelling in deelvragen op te splitsen. Je zult de lezer op een of andere manier moeten vertellen wat dit voorwerk allemaal heeft opgeleverd.

Het voorgaande betekent dat je in de inleiding in ieder geval antwoord geeft op de volgende vragen:

- Wat is de achtergrond van het beschreven onderzoek (achtergrondinformatie)?

- Op welke vraag geeft het antwoord (probleemstelling)?

- Wat wordt er met het antwoord op die vraag beoogd (doelstelling)?

- Hoe is het antwoord op de vraag georganiseerd (opbouwbeschrijving)?

Achtergrondinformatie

Begin niet pardoes met je verhaal. Sluit aan bij wat de lezer weet, zodat deze voldoende aanknopingspunten kan vinden. Is de achtergrond van de lezer vergelijkbaar met die van jou, verstrek dan die informatie die jezelf nodig had voor je met het onderzoek van start kon gaan. Vermijd daarbij lange historische beschouwingen of literatuuroverzichten. Wat moet de lezer daarmee? Ze ontnemen het zicht op de probleem- en doelstelling. Beperk je dus zoveel mogelijk tot een beschrijving van de huidige stand van zaken. Verwijs voor de voorgeschiedenis naar relevante literatuur.

Probeer wel in de openingszin meteen de aandacht van de lezers te trekken. Enkele veel gebruikte openingstechnieken zijn: een vraag, een vergelijking, een citaat of spreuk, spectaculaire details of getallen. Daarop volgt een korte situatieschets die de aanleiding vormt tot je verhaal. Dat kunnen bijvoorbeeld eigen ervaringen zijn in het taalonderwijs voortgezet onderwijs, of ervaringen uit je stage, die aanleiding vormden tot deze onderwerpskeuze.

Probleemstelling

Geef in de inleiding expliciet aan om welke vraag het in je tekst gaat. Bijvoorbeeld:

- In dit verslag staat de vraag centraal welke aanpak van de schrijftaak wordt gehanteerd en in hoeverre deze voldoet aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs.

- In dit verslag wordt nagegaan welke schrijfaanpak wordt gehanteerd in de methode Op niveau plus voor 1 vbo/mavo. Verder wordt beschreven in hoeverre deze aanpak voldoet aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs.

- In deze afstudeerscriptie wordt nagegaan met welke onderwijskundige en vakinhoudelijke middelen het fictieonderwijs aan leerlingen in de brugklas havo/vwo kan worden verbeterd.

De probleemstelling mag natuurlijk ook in de vorm van een vraag worden geformuleerd. Een voorbeeld van een hoofdvraag in vraagvorm:

- In deze theoretische verantwoording geven wij antwoord op de vraag: welke schrijfaanpak wordt gehanteerd in de methode Op niveau plus voor jaar 1 vbo/mavo en in hoeverre voldoet deze aan de uitgangspunten van communicatief taalonderwijs?

Doelstelling

Een doelstelling hoeft niet te worden vermeld, als uit de formulering van de probleemstelling al duidelijk blijkt welke doelstelling de schrijvers nastreven. Te denken valt aan een probleemstelling als:

- Wat moet er gedaan worden om de argumentatieve vaardigheden van leerlingen in de basisvorming te verbeteren?

Maar in een scriptie zul je meestal de doelstelling in de inleiding expliciet moeten vermelden. Geef aan wat het praktisch belang is van het product, welk voordeel/profijt het product kan hebben voor andere docenten in het veld en leerlingen. Daar gaat een voor de lezers motiverende functie vanuit. Bovendien maak je zo duidelijk hoe je tot de probleemstelling bent gekomen en vooral wat de waarde is van je antwoord op de probleemstelling.

Voor het verslag methodeanalyse is het niet nodig om het doel expliciet aan te geven. Het gaat daarbij immers uitsluitend om een leerdoel: dat je in je verslag laat zien dat je in staat bent verworven inzichten in het leesproces en relevante kerndoelen kunt relateren aan de schrijfaanpak van een taalmethode VO.

Wel is het zinvol de relevantie ofwel het belang aan te geven van de geformuleerde hoofdvraag.

Een voorbeeld:

- Het doel van het schrijfonderwijs in de basisvorming is dat leerlingen leren hoe ze op een systematische manier schriftelijk verschillende soorten informatie begrijpelijk kunnen overbrengen. Als het schrijfproces in duidelijke stappen wordt onderverdeeld en de leerlingen op school leren hoe ze met elke stap moeten omgaan, dan is de kans groot dat ze meer zelfvertrouwen krijgen bij het schrijven van teksten.

Werkwijze

Daarnaast geef je aan welke werkwijze je hebt gevolgd. Geef kort aan op welke manier je de gegevens voor je verslag hebt verzameld en geanalyseerd (literatuuronderzoek, enquêtes, interviews, vakdidactische principes enzovoort). Een voorbeeld:

- Op basis van de theorie van Bonset in Nederlands in de basisvorming voor het onderdeel schrijven is bekeken hoe de methode Op niveau plus omgaat met deel- en totaalvaardigheden in relatie met een stapsgewijze aanpak volgens het OVUR-model.

Structuuropbouw of vooruitblik

Een goede inleiding dient voor de lezer ook als een `kapstok’ waaraan hij verder informatie kan ophangen. Besluit je inleiding met een soort van minisamenvatting, waarin je aangeeft welke deelvragen in de hoofdstukken achtereenvolgens beantwoord worden. Dat geeft de lezer overzicht en maakt hem makkelijker de grote lijn vast te houden. Bovendien zorgt deze `epiloog’ voor een soepele overgang tussen inleiding en de volgende hoofdstukken.

Laat die vooruitblik overigens niet verworden tot een globale herhaling van de inhoudsopgave door in een gortdroge `garagerekening’ op te sommen wat er allemaal gaat komen. Vertel je lezers in lopende tekst wat de voornaamste onderdelen van het rapport zijn, in welke volgorde ze voorbij zullen trekken en ook waarom dat in die volgorde gebeurt. Geef dus toelichting op de samenhang.

Een voorbeeld van hoe zo’n opbouwbeschrijving na de inleiding (hoofdstuk 1) eruit kan zien:

- In hoofdstuk 2 beschrijven wij eerst de structuur van de methode Op niveau plus 1 vbo/mavo beschreven. Daarin geven wij aan uit welke hoofdstukken de methode is opgebouwde en hoe deze zijn onderverdeeld. Daarnaast geven wij aan in hoeverre de lay-out, kleuren en afbeeldingen functioneel en motiverend zijn. Doel daarvan is om een beeld te krijgen van de hele methode en te zien welke samenhang er bestaat tussen de onderdelen.

In hoofdstuk 3 worden de onderdelen beschreven van het schrijven en aangegeven in hoeverre er sprake is van een systematische aanpak van de schrijftaak. Vervolgens nemen wij de totaalvaardigheden onder de loep en bekijken we of de producten die daarin worden genoemd ook op vakdidactisch verantwoorde wijze worden voorbereid. Dat wil zeggen: conform het OVUR-model en in relatie met de kerndoelen van het schrijfonderwijs in de basisvorming.

In hoofdstuk 4 gaan wij na in hoeverre er mogelijkheden tot transfer van de leerstof plaatsvindt en de leerling tot zelfwerkzaamheid wordt gestimuleerd. Het gaat er immers om dat een leerling de aangeleerde deel- en totaalvaardigheden toepast in dagelijkse situaties.

Tot slot worden in hoofdstuk 5 conclusies getrokken, op basis van wat is besproken in de voorafgaande hoofdstukken.

6.7 De hoofdstukken tussen inleiding en conclusie

De kern van het rapport bestaat uit genummerde hoofdstukken, die vaak zijn onderverdeeld in paragrafen. Het is aan te bevelen elk hoofdstuk te beginnen met een korte inleiding, waarin je enige informatie geeft over het onderwerp en de opbouw van het hoofdstuk. De inleiding hoeft niet altijd een aparte paragraaf te zijn: bij één tot twee alinea's volstaat een ongenummerde inleiding. Soms is het handig (lange) hoofdstukken met een conclusie of samenvatting af te sluiten.

6.8 De conclusies

De titel `Conclusie’ behoor je te reserveren voor de afsluitende tekst waarin je het logische antwoord geeft op een probleemstelling die vraagt om een oplossing, oordeel of een standpunt. Vraagt ze om een advies, dan zal de tekst moeten eindigen met `Aanbevelingen’.

De meeste lezers van het rapport zullen in elk geval de conclusies bekijken. Hierna volgen nog enkele adviezen die de conclusies voor je lezers toegankelijker kunnen maken.

- Conclusies moeten zelfstandig leesbaar zijn voor iemand die, op de inleiding na, de rest van het werk niet heeft gelezen.

- Conclusies volgen direct uit eerdere hoofdstukken waarin je antwoord hebt gegeven op deelvragen. Ze mogen niet als een verrassing komen. De lezer moet de onderbouwing van conclusies in de voorafgaande tekst kunnen terugvinden. Stem de hoofdconclusies dus af op wat je in het inleidende hoofdstuk hebt geschreven.

- Conclusies moeten kernachtig en ondubbelzinnig geformuleerd zijn. Ze dient bij voorkeur in één of twee zinnen te worden geformuleerd.

6.9 De aanbevelingen

Conclusies en aanbevelingen komen meestal gecombineerd voor in het laatste hoofdstuk. Bij een adviesgerichte probleemstelling zijn `aanbevelingen’ onmisbaar. Bij een beschrijvende en evaluerende centrale vraag kun je volstaan met conclusies.

Een aanbeveling is een advies om iets in de toekomst wel of niet te doen. Het gaat erom wie wat moet gaan doen om het probleem op te lossen en op welke termijn. Aanbevelingen moeten dan ook een praktische uitwerking van de conclusies zijn en daar dus direct op aansluiten. Dikwijls heeft een aanbeveling het karakter van een suggestie voor bijvoorbeeld een nieuwe benaderingswijze, een vervolgonderzoek, een specifieke praktische toepassing, een te nemen maatregel of een uit te voeren actie.

Verder moeten aanbevelingen concreet zijn. Zeg dus niet dat `nader onderzoek is gewenst’, maar geef aan wat er precies verder moeten worden onderzocht en waarom.

6.10 Het nawoord

Scripties en verslagen eindigen nogal eens met een Nawoord of een Evaluatie. Dat is een op het voorwoord gelijkende, persoonlijk getinte tekst waarin studenten het proces moeten evalueren waarlangs het rapport tot stand gekomen is. Ze geven daarin antwoord op vragen als: wat hebben wij geleerd van dit onderzoek? Wat ging er zoal mis? Hoe verliep de samenwerking? Tegen welke problemen zijn wij opgelopen en hoe zijn deze opgelost? Dat kunnen problemen zijn in de relationele sfeer (opdrachtgevers, respondenten) of problemen die te maken hebben met de uitvoering van het onderzoek: aard van de opdracht, opsporen van literatuur, verwerking en analyse van de gegevens, beschikbare faciliteiten. Verder kun je vermelden wat je hebt geleerd van een eerder geschreven verslag. Het nawoord valt buiten de kern van je rapport en heeft dus, net als het voorwoord, geen indelingsteken.

6.11 De literatuurlijst

In de literatuurlijst verantwoord je welke literatuur je hebt gebruikt. Zorg ervoor dat je naar elke publicatie minstens één keer verwijst in de tekst. Alfabetiseer de literatuurlijst op achternaam van de schrijver of op naam van de organisatie.

Boeken en rapporten kunnen als volgt beschreven worden:

- achternaam, voorletters auteur (geen academische titels);

- titel en ondertitel (cursief);

- druk (alleen noemen als het niet de eerste is);

- plaats: uitgever of instelling, jaar van uitgave.

Een voorbeeld:

Bonset, H., M. de Boer en T. Ekens, Nederlands in de basisvorming. Een praktische didactiek. Bussum: Coutinho, 2000

Ontbreekt de naam van de auteur, dan begint de titelbeschrijving met de titel:

Nota Stankbeleid. Den Haag: Ministerie van VROM, 1991.

Bij artikelen uit tijdschriften en verzamelbundels wordt van dit patroon als volgt afgeweken.

- achternaam, voorletters auteur (geen academische titels);

- titel en ondertitel van het artikel (tussen enkele aanhalingstekens);

- naam tijdschrift of de afkorting hiervan (cursief);

- redacteur/editor (van verzamelbundels);

- jaartal, jaargang, afleveringsnummer (tussen haakjes) en paginanummers.

Twee voorbeelden:

Jong, J. de, `De clichétitel voorbij. Tips voor het bedenken van originele titels’. In: Onze Taal 1996, 65 (12), p.326-328.

Verbeek, G., `Samenspel en spanning tussen zorgverlener en gebruiker’. In: L. Boon (red). Vraaggestuurde zorg. Amstelveen: Sympoz, 1997, p.43-98.

Bij verwijzingen naar internet, software, cd-rom of andere elektronische informatie ga je net zo te werk als bij `gewone’ literatuurverwijzingen. Bij internet is vooral de datum van belang waarop je het materiaal hebt geraadpleegd. Die verandert immers voortdurend.

Bijvoorbeeld:

Peter Ring Consultants, User Friendly Manuals’ Website. (Juli 1999). www.prc.dk/user-friendly-manuals/

Bronvermeldingen in de tekst

Binnen de kern van je rapport zul je ook regelmatig naar een bron verwijzen. Doe dat als volgt.

- Eén auteur: (Jansen, 1997).

- Twee auteurs: (Jansen en Pieters, 1997).

- Meer dan twee auteurs: (Jansen e.a., 1997)

Ook zul je wel eens iemand letterlijk citeren. Letterlijke citaten worden in een tekst tussen aanhalingstekens geplaatst en als volgt verwezen: (Jansen, 1997, p. 53). Hier verwijst 53 naar de pagina waar het citaat is terug te vinden. Het paginanummer laat je weg als je verwijst naar het hoofdthema van het werk

6.12 De bijlagen

Bijlagen vormen een uitstekend middel om de kern van het rapport overzichtelijk en beknopt te houden. Nummer de bijlagen en voorzie ze van een korte informatieve titel. Bijlagen moeten zelfstandig leesbaar zijn. Voor elke bijlage moet in de tekst een verwijzing staan in de trant van: zie bijlage 1. Het is handig om de paginanummering van het rapport door te laten lopen in de bijlagen. Begin daarom elke bijlage op een aparte pagina. Een titelblad vóór de bijlagen in een andere kleur maakt snel duidelijk waar het rapport eindigt en de bijlagen beginnen.

Literatuur

Elling, R., Andeweg, B., Jong, J. de en C. Swankhuisen. Rapportagetechniek. Groningen: Wolters-Noordhoff; 2000

Mariët Hermans, Schrijven met effect. Stijlcursus doeltreffend formuleren. Coutinho: Bussum 2000.

Janssen, J. (red.). Zakelijke Communicatie deel II. 3e geh. herz. druk. Groningen: Wolters Noordhoff; 1996

Renkema, J. Schrijfwijzer. 2e herz. druk. Den Haag: SDU Utgevers; 1989

Steehouder, M. (e.a). Leren communiceren. Handboek voor mondelinge en schriftelijke communicatie. 3e geh. herz. druk. Groningen: Wolters-Noordhoff; 1992.

Bijlage 1: Vaste structuren

De probleemstructuur

Thema: een probleem, een ongewenste situatie

Wat is het probleem precies?

Waarom is het een probleem?

Wat zijn de oorzaken van het probleem?

Hoe kan het probleem worden opgelost?

De maatregelstructuur

Thema: een maatregel, een actie, een voorstel

Wat houdt de maatregel enz. precies in?

Wat is het doel van de maatregel enz.?

Waarom is de maatregel enz. nodig?

Hoe wordt de maatregel enz. uitgevoerd?

Wat zullen de effecten van de maatregel enz. zijn?

De evaluatiestructuur

Thema: datgene wat beoordeeld wordt

Wat zijn de relevante eigenschappen ervan?

Wat zijn de positieve aspecten?

Wat zijn de negatieve aspecten?

Hoe luidt het eindoordeel erover?

Handelingsstructuur

Thema: een handeling

Wat is het doel van de handeling?

Wat zijn de voorwaarden ervoor?

Hoe verloopt de hamdeling in grote lijnen?

Hoe worden de deelhandelingen uitgevoerd?

Hoe wordt de uitkomst van de handeling gecontroleerd?

De ontwerpstructuur

Thema: een ontwerp

Waartoe dient het?

Aan welke eisen moet het voldoen?

Welke middelen worden gekozen?

Hoe ziet het ontwerp eruit?

Wat is de waarde van het ontwerp?

De onderzoeksstructuur

Thema: een onderzoeksobject

Wat wordt precies onderzocht?

Waarom wordt het onderzoek gedaan?

Wat is het doel van het onderzoek?

Welke methode wordt er in het onderzoek gebruikt?

Wat zijn de resultaten van het onderzoek?

Wat zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek?

Bijlage 2: Checklist voor rapportonderdelen

Omslag

Naam van de auteur(s) en titel van de tekst?

Titelpagina

Auteursnamen?

Volledige titel en ondertitel?

Naam van de organisatie en datum van verschijning?

Naam van de opdrachtgever(s) en/of begeleider(s)?

Inhoudsopgave

Zijn voorwerk en nawerk ongenummerd?

Is de kern (vanaf de inleiding) wel genummerd?

Is de decimale nummering gebruikt voor hoofdstukken en paragrafen?

Zijn titels informatief?

Zijn titels gelijk aan de titels in het rapport?

Zijn paragrafen ingesprongen?

Hebben bijlagen een nummer en titel?

Voorwoord

Opdrachtomschrijving?

Informatie over het kader waarin het rapport tot stand is gekomen?

Bedankjes aan of verwijzing naar mensen die behulpzaam zijn geweest?

Onder het voorwoord: datum en naam van de auteur(s)?

(Informatieve) samenvatting

Aanleiding voor het onderzoek vermeld (achtergrondinformatie) met daarin:

probleemschets;

belang van de hoofdvraag?

Doel van het onderzoek aangegeven met daarin:

hoofdvraag;

werkwijze?

Conclusies en aanbevelingen vermeld?

Inleiding

Bevat de aanleiding:

achtergrondinformatie;

probleemschets;

belang van het onderzoek?

Omvat de doelstelling van het onderzoek:

concrete hoofdvraag;

werkwijze?

Uitgangspunten en randvoorwaarden genoemd?

Maakt de structuurbeschrijving de grote lijn van het rapport duidelijk?

Hoofdstukken

Begint ieder hoofdstuk met een inleiding?

Is elk hoofdstuk volgens eenzelfde ordeningsprincipe opgebouwd?

Conclusies

Antwoord op de hoofdvraag?

Kernachtig en nauwkeurig geformuleerd?

Overzichtelijk gepresenteerd?

Aanbevelingen

Uitvoerbaar voor (een deel van de) lezers?

Nawoord

Persoonlijk getinte evaluatieve opmerkingen?

Literatuurlijst

Alfabetische ordening?

Titelbeschrijvingen correct?

Bevat de lijst alleen werken waarnaar in de tekst is verwezen?

Bijlagen

Genummerd en voorzien van een titel?

Zelfstandig leesbaar?

Bijlage 3: Checklist criteria voor opbouw, stijl en vormgeving

Algemene criteria voor opbouw

Bevat de tekst een titel, die duidelijk maakt waar de tekst over gaat?

Bevat de tekst, waar nodig, paragraaftitels en kopjes?

Zijn deze subtitels en kopjes informatief?

Is de structuur, waar nodig, verduidelijkt door paragraafnummering?

Wanneer er lange gedeelten zonder tussenkop zijn: dan voldoende vooruitblikkende of terugblikkende zinnen (ofwel overgangszinnen)?

Nieuwe alinea voor nieuw onderwerp?

Zijn alineagrenzen goed zichtbaar?

Overkoepelende kernzinnen per alinea, op voorkeursplaatsen?

Zijn er, waar nodig, verbandaanduiders (signaalwoorden)?

Algemene criteria voor stijl

Spelfouten of typfouten?

Fouten in leestekengebruik?

Ingewikkelde of te lange zinnen met meerdere bijzinnen?

Niet-functioneel gebruik van de lijdende vorm?

Stijl niet wijdlopig?

Stijl te formeel of saai?

Te snelle overgangen, zonder verbindende zinnen?

Vaktermen zonder uitleg, storende afkortingen?

Foutieve verwijswoorden?

Tangconstructies?

Dubbelopuitdrukkingen?

Stijlbreuken?

Algemene criteria voor de vormgeving

Is een helder gebruik gemaakt van afwisseling van lettertype (vet of cursief voor sleutelwoorden, groot lettertype voor kopjes)?

Wanneer er kopjes zijn van verschillend niveau: Is het niveau goed zichtbaar aan de plaats en het lettertype van de kopjes?

Is het lettertype van de gewone tekst groot genoeg?

Lay out/bladspiegel: Zijn de marges groot genoeg? Consequent gebruik van witregels, inspringers?

Is een functioneel gebruik gemaakt van kleuren?

Kwaliteit, positionering en functie van illustraties?

Zijn illustraties voorzien van een onderschrift?

Wordt in de tekst verwezen naar illustraties?

Is de paginanummering correct?

Staan citaten tussen aanhalingstekens en zijn ze letterlijk overgenomen?

Zijn eventuele noten onderaan de pagina opgenomen?

.

ICT Nieuws.

Nuttige items


WA40.nl - WA40 New Media